Inleiding

Het is natuurlijk niet zinvol om alle erfelijke aandoeningen hier uit te leggen. Voor het overgrote deel zullen dit aandoeningen zijn die niet of nauwelijks bij de Maine Coon voorkomen. Daarom volgt hieronder slechts een opsomming van de meest bekende/beruchte aandoeningen.

 

Patella Luxatie

Bij een patella luxatie raakt de patella of knieschijf buiten zijn normale spoor (trochlea) en komt in de meeste gevallen aan de binnenkant. In andere gevallen komt de patella aan de buitenkant van het kniegewricht terecht. Bij het afglijden van de patella is het niet meer mogelijk om de poot te belasten, omdat kniegewricht en ellebooggewricht in een soort spanzaagmechanisme met elkaar samenwerken.

Een patella luxatie is een aangeboren, erfelijke afwijking. De knieschijf loopt normaliter in een gleuf in het gedeelte van het bovenbeen, die deel uitmaakt van het kniegewricht. Het feit dat de knieschijf uit zijn spoor loopt wordt veroorzaakt door fouten in de bouw van het skelet, zoals een ondiepe, soms zelfs afwezige trochlea, een min of meer gedraaid of gebogen onderbeen of een scheve aanhechting van de quadriceps.

Afhankelijk van de mate waarin een knieschijf luxeert zijn er verschillende gradaties:

Gradatie I

In dit geval kan de knieschijf met de hand worden geluxeerd, maar deze springt direct spontaan weer terug. De knieschijf zit weliswaar wat los, maar loopt gewoon in het spoor. Meestal geeft deze situatie ook geen klachten. Als toch wel klachten bestaan, zijn deze te beperken tot het zeer sporadisch optillen van het betreffende pootje tijdens het lopen. In de meeste gevallen past de kat zijn stand aan en heeft hij totaal geen hinder meer. Hij kan probleemloos mee verder leven met de afwijking. Een operatie is in dit geval niet noodzakelijk.

Gradatie II

In dit geval kan de knieschijf met de hand worden geluxeerd, maar ook spontaan luxeren bij het buigen van het kniegewricht. De knieschijf blijft geluxeerd, totdat deze handmatig weer terug in het spoor wordt gebracht, of doordat de kat zelf zijn poot strekt en draait. In deze gevallen zien we dat vaker en langer het betreffende pootje wordt optilt. Als de kat  erop loopt, is er geen sprake van kreupelheid. In dit geval is een operatie te overwegen.

Gradatie III

In dit geval is de knieschijf de meeste tijd geluxeerd. Hij kan wel handmatig in het spoor terug gedrukt worden, maar hij springt direct weer terug in geluxeerde toestand. Deze katten ontlasten het betreffende pootje vrijwel continu. Hier moet operatief worden ingegrepen.

Gradatie IV

In dit geval blijft de knieschijf permanent geluxeerd, maar kan nu ook handmatig niet meer worden teruggelegd. Vaak zien we hier een rotatie van het onderbeen, ontbreken van de gleuf (trochlea), of een verkeerde aanhechting van de quadriceps. Hier is dus sprake van een ernstige bouwfout. Deze katten ontlasten permanent het betreffende pootje en moeten geopereerd worden.

Heupdysplasie

Heupdysplasie (HD) is een afwijking van één of beide heupgewrichten (dysplasie betekent “niet goed gevormd”). Bij een gezond heupgewricht passen de kop van het dijbeen en de kom van het bekken precies in elkaar. Dat wil zeggen dat het kraakbeen van de kop van het dijbeen over een groot oppervlak met het kraakbeen van de kom van het bekken in contact staat. De ontwikkeling van de heupen bij jonge, opgroeiende kat verloopt soms niet helemaal normaal, waardoor misvormde gewrichten ontstaan.

HD wordt meestal veroorzaakt door een combinatie van erfelijke aanleg en externe factoren.

Het is een erfelijk bepaalde afwijking, die door externe invloeden zoals groeisnelheid, lichaamsgewicht, beweging, spierontwikkeling, voedingssupplementen en voeding, positief als negatief kan worden beïnvloed. Een dier dat geen aanleg heeft, kan een misvormde heup krijgen door externe factoren. Een dier dat wel aanleg heeft, kan ook positief door externe factoren worden beïnvloed, waardoor minder misvorming zal ontstaan. Door de verschillen tijdens het opgroeien kunnen dieren met dezelfde erfelijke aanleg uiteindelijk toch verschillende heupen ontwikkelen.

HD is vooral bekend uit de hondenwereld en komt meestal voor bij honden van grote en middelgrote rassen, maar ook andere dieren (of mensen) en zelfs kleinere rassen kunnen HD krijgen. Ook in de vrije natuur wordt er regelmatig HD aangetroffen bij dieren. Het is dus niet per se een afwijking, die ontstaan is door verkeerd fokbeleid. Twee dieren met goede heupen kunnen toch nakomelingen krijgen met HD en uit twee dieren met een lichte vorm van HD kunnen HD vrije nakomelingen krijgen. Ondanks jarenlange toepassing van uitgebreide gezondheidsprogramma’s in de hondenfokkerij is het aantal honden met HD niet sterk beïnvloed.

Bij een goed gevormd heupgewricht bestaat deze uit een kop die draait in een kom. De gladde, bolronde kop van het dijbeen draait in een diepe kom van het bekken. De kop wordt op zijn plaats gehouden door een stevig gewrichtskapsel en omringende spieren. Honden/ katten die voldoende beweging tijdens het opgroeien hebben gehad, zullen minder last hebben van heupdysplasie, omdat de spieren en kapsels sterker zijn. Hierdoor blijft de kop beter in de kom zitten. Doordat de kop kan draaien in de kom kan het dier zich voortbewegen. Bij het draaien moet de kop wel goed aansluiten in de kom. Deze stevige aansluiting van de kop in de kom is niet alleen noodzakelijk voor een goede functie van het gewricht, maar is ook noodzakelijk voor een normale ontwikkeling van het gewricht van jonge, nog groeiende dieren.

Heupgewrichten kunnen zich als volgt vormen:

  • De ronde kop sluit goed aan in de diepe kom.
  • Een ronde kop die matig aansluit in een wat ondiepe kom.
  • Een vlakke kop met een slechte aansluiting in een ondiepe kom.
  • De kop sluit matig aan in de ondiepe kom, naast botwoekeringen rond de kop en de kom.
  • Diverse combinaties van de voorgenoemde vormen zijn ook mogelijk.

Symptomen

Dieren met heupdysplasie kunnen hiervan hinder ondervinden. Dit ontstaat meestal rond de leeftijd van zo'n 8 maanden en kan steeds ernstiger worden. Door de botwoekeringen kan lopen zeer pijnlijk worden.

De symptomen zijn:

  • moeilijk opstaan, soms met pijn
  • een stijve achterhand, vooral na rust
  • huppelen met de achterpoten alsof deze de voorpoten niet kunnen bijhouden
  • slecht uithoudingsvermogen; snel gaan liggen
  • doorzakken van de achterhand
  • kreupelheid in een of beide achterpoten
  • niet willen spelen, wandelen
  • de hakken worden naar binnen gedraaid (koehakkige stand)

Voorkoming

De preventie bestaat voornamelijk uit het geven van een goed voer en een goede verantwoorde beweging, vooral gedurende het eerste levensjaar. Indien de voeding voldoende kalk , vitamine A en D en eiwit (van goede kwaliteit) bevat, is de kans op HD te verkleinen. Verder is uit onderzoek gebleken dat honden die volop voer krijgen (te) snel groeien, meer kans hebben op botafwijkingen, dan honden die wat schraal worden gevoerd en langzamer groeien. hierbij speelt ook overgewicht een belangrijke rol .

Behandeling

Misvormingen van de heupgewrichten kunnen, eenmaal aanwezig, niet meer ongedaan worden gemaakt. Een behandeling zal dan ook vooral gericht zijn tegen verdere botwoekering, ondersteuning spieren, pezen en pijn. Hierbij wordt gedacht aan:

  • fysiotherapie
  • operatief bekken reconstructie,
  • voorkoming van overmatig lichaamsgewicht of lichaamsgewicht drastisch verminderen.
  • juiste voeding (niet te energiek, de juiste eiwitten, niet teveel Calcium (kalk) en de juiste Calcium/Fosfor-verhouding)
  • regelmatige lichaamsbeweging (let wel op overbelasting!).
  • beperken van uitglijden (b.v. op gladde vloeren), snelle draaibewegingen, springen, traplopen en trekken.

Cardiomyopathie

Het meest voorkomende hartprobleem bij katten lijkt cardiomyopathie (ziekte van de hartspier) te zijn. De volgende 3 vormen van cardiomyopathie worden onderkend:

Restrictieve vorm

Dit is een vorm van hartspierziekte waarbij bindweefselvorming in gedeeltes van de hartspier plaatsvindt. Het is een vorm die bij katten zeer zelden gezien wordt.

Gedilateerde Cardiomyopathie (DCM)

Deze vorm kan veroorzaakt worden door een voedingsfout, namelijk een gebrek aan taurine. Door verhoging van het taurinegehalte in de commerciële voeders is deze aandoening nu zeldzaam geworden. Het wil echter niet zeggen dat een kat met DCM dit heeft gekregen door een voedingsfout, ook hier zijn meer oorzaken mogelijk. DCM wordt nu voornamelijk gezien bij oudere dieren. Het eerste verwijdt de linker kamer, in een later stadium verwijdt het hele hart.

Hypertrofische Cardiomyopathie (HCM)

HCM is de meest voorkomende vorm. Bij HCM zijn de spieren van de wand van de linkerkamer in dikte toegenomen (hypertrofie). Dit veroorzaakt een toenemende verstijving in de linkerkamer, waardoor die zich niet efficiënt kan vullen. Bovendien wordt de ruimte in de linkerkamer steeds kleiner met als gevolg dat minder bloed rond wordt gepompt en de ruimte in de linkerboezem vergroot. Hierdoor ontstaat o.a. een vergrootte kans op trombose. Door een drukstijging in de linkerboezem neemt de druk in de longvaten toe, wat leidt tot vochtophoping in de longen en de borstkas. Tevens kan bij HCM een verdikking van de spieren waarmee de hartkleppen bevestigd zijn optreden en een abnormale beweging van de hartkleppen, ook wel SAM (Systolic Anterior Motion) genaamd, ontstaan. HCM kan worden veroorzaakt door externe factoren. Een te snel werkende schildklier kan tot de verschijnselen van HCM leiden. Dit is eenvoudig vast te stellen door een bloedtest. HCM hoeft niet per se erfelijk te zijn, maar bij HCM op jonge leeftijd moet toch gedacht worden aan een genetisch defect.

Symptomen

Het is heel goed mogelijk dat een kat niet of nauwelijks symptomen vertoont. Het eerste symptoom kan een plotselinge dood zijn. De volgende klachten zijn mogelijk:

  • benauwdheid
  • versnelde ademhaling
  • sloomheid
  • ondertemperatuur
  • onregelmatige, zwakke of niet te voelen liespols
  • verlamming van de achterpoten
  • slechte eetlust / niet willen eten
  • braken
  • vermageren
  • hartruis

Opgemerkt moet worden dat niet iedere hartruis een teken van HCM is en niet bij alle gevallen van HCM een hartruis via een stethoscoop kan worden gehoord.

Diagnose

Aangezien de symptomen heel subtiel kunnen zijn, is de enige betrouwbare methode voor het opsporen van HCM, het maken van een echocardiogram, of bij overlijden een autopsie. Katten die aan HCM gestorven zijn, hebben meestal een relatief groot hart met een vergrote linkerboezem. De diagnose HCM wordt daarbij vastgesteld als andere mogelijkheden die vergelijkbare symptomen kunnen veroorzaken (zoals verhoogde schildklierwerking) zijn uitgesloten. Sinds een aantal jaren is bij Maine Coons ook een DNA test mogelijk. Deze biedt echter tot op heden een onvolledig beeld op het wel of niet ontwikkelen van HCM. Gevallen zijn bekend van katten die positief op de DNA test bleken, maar tot op hoge leeftijd geen HCM bij het maken van de echocardiogram laten zien. Andersom komt ook voor: katten die negatief uit de DNA test komen en toch HCM ontwikkelen. Niet verwonderlijk als je nagaat dat bij de Maine Coon slechts één merker is gevonden, terwijl bij de mens er inmiddels een veel groter aantal van deze ‘afwijkingen’ zijn gevonden.

Behandeling

Helaas is geen genezing mogelijk, maar medicijnen kunnen HCM katten soms nog wel een aantal jaren in leven houden, afhankelijk van de ernst en de mate van symptomen. De behandeling varieert naar gelang de symptomen en kan bestaan uit het geven van vochtafdrijvers, middelen die de hartwerking verbeteren, of die de kans op trombose verminderen. Ter ondersteuning van de behandeling kan de dierenarts een speciaal natriumarm dieet voorschrijven. Dit dieet, in combinatie met medicijnen, kan het vasthouden van vocht en de daarmee gepaard gaande klachten, zoals benauwdheid, helpen beperken.

Verzorging van een kat met HCM

Katten met HCM dient men aan de ene kant enigszins te ontzien en aan de andere kant juist wat meer aandacht te geven. Het is belangrijk om niet te wild met zo'n kat te spelen. Regelmaat en rust zijn de sleutelwoorden. Stress moet zoveel mogelijk worden vermeden. Minstens zo belangrijk is het op tijd geven van de medicijnen. Als dat niet gebeurt, bestaat de kans op verdere problemen. Vaak hebben katten met HCM een slechte eetlust, omdat ze zich niet zo lekker voelen als bijwerking van de noodzakelijke medicijnen. De voeding moet daarom niet alleen goed zijn voor de gezondheid, maar ook lekker smaken. Daarnaast zal bij deze katten overgewicht moeten worden voorkomen, omdat overgewicht een extra beroep doet op de pompfunctie van het hart.

PKD

Polycystic Kidney Disease (PKD) is een erfelijke nierziekte, die vooral gevonden wordt bij Perzen en Exotisch Korthaar (kortharige Pers), maar ook voorkomt bij andere rassen waarbij in het verleden Perzen zijn ingekruisd.

PKD wordt het makkelijkst vastgesteld door echografisch nieronderzoek, waarmee de ziekte vanaf tien maanden opgespoord kan worden als er cystes in de nieren worden aangetroffen. Voor een onderzoek is het enkel noodzakelijk om de haren over het midden van de buik te scheren en een korte periode (enkele minuten) van scannen om de aanwezigheid van cystes vast te stellen. Zelden is een verdoving nodig. Het is erg belangrijk dat de scan wordt uitgevoerd met goede apparatuur en dat de resultaten geïnterpreteerd door radiologisch getrainde dierenartsen. Als dit alles het geval is, is de diagnose voor 98% zeker.

PKD is een langzaam verlopende progressieve ziekte met een uiteindelijk altijd dodelijke afloop. De kat wordt pas vrij laat in zijn leven echt ziek, hoewel cystes al langer aanwezig zijn. Problemen starten met met zo'n jaar of zeven met vergroting van de nieren en gestoorde nierfunctie.

Het is bewezen dat de ziekte erfelijk is. Cystes zijn aanwezig vanaf de geboorte. De grootte varieert van minder dan een millimeter tot verscheidene centimeters. Oudere dieren hebben grotere en meer cystes. De problemen waardoor de kat ziek wordt, beginnen wanneer de cystes gaan groeien en hierdoor het functionele nierweefsel in de verdrukking komt. Daardoor kunnen de nieren niet goed meer functioneren. De kat sterft uiteindelijk aan de gevolgen van chronisch nierfalen.

Klinische kenmerken zijn onder andere:

  • lusteloosheid,
  • vermageren,
  • gebrek aan eetlust,
  • veel extra drinken
  • extra urineren.

Het verschil in ziektebeeld tussen individuele dieren is groot. Het verschilt van dier tot dier in hoe snel ze ziek worden en hoe lang het duurt voor ze aan de ziekte bezwijken. Het is ook mogelijk dat een dier op eerdere leeftijd aan een andere ziekte overlijdt, voordat het ziekteproces van PKD de nierfunctie dramatisch verminderd. Zeker is dat een kat die cystes heeft, altijd ziek zal worden en problemen krijgt die uiteindelijk tot overlijden leiden.

Aangezien PKD het resultaat is van 1 autosomaal dominant gen, is het vrij makkelijk om dat gen te traceren en te verwijderen uit een fokbestand in 1 generatie. Alle fokdieren moeten worden gescand om de aanwezigheid van cystes vast te stellen. De snelste manier om het probleem te elimineren, is alle aangedane dieren te castreren / steriliseren en alleen door te fokken met PKD-negatieve dieren. Een PKD-vrije kat is altijd genetisch PKD-vrij en kan de ziekte dus niet meer doorgeven aan nageslacht.

CIN / CNI

CIN of CNI (Chronische Nier Insufficiëntie, ook wel bekend als schrompelnier) is een andere nierafwijking, die met een PKD test kan worden onderkend. CIN betekent Chronische Interstitiele Nefritis; dit is een chronische ontsteking van het tussenweefsel in de nieren, wat leidt tot bindweefsel toename. In de volksmond wordt dit ook wel Schrompelnieren genoemd. Het leidt tot klachten, omdat steeds minder gezond nierweefsel overblijft. De prognose voor een kat met CIN is altijd ongunstig, maar wanneer vroegtijdig ingegrepen wordt, is het mogelijk om de patiënt geruime tijd in een bevredigende klinische toestand te houden, waarbij ook de levenskwaliteit behouden blijft.

CIN kan ontstaan door slijtage of ontsteking (meestal bij oudere dieren), maar kan ook een erfelijk factor hebben (meestal al op jonge leeftijd te onderkennen). Tot op heden is CIN vooral gevonden bij de Ragdoll. Er zijn echter gegevens die er op duiden dat ook bij andere rassen dergelijke problemen voor kunnen komen. Bij de Ragdoll zijn heel duidelijk familiaire verbanden aanwezig. Erfelijkheid is daarmee dus zeer aannemelijk. Hoe de overerving in elkaar steekt, is nog niet geheel duidelijk.

Aangezien de nier een grote functionele reservecapaciteit bezit, wordt nierinsufficiëntie pas duidelijk nadat 2/3 van de nier is aangetast. Daarom wordt bij katten van middelbare leeftijd geadviseerd om de urine en het bloed te laten onderzoeken. Ook kan een bloeddrukmeting worden gedaan. Het is bekend dat veel oudere katten aan een te hoge bloeddruk leiden wat ernstige nierschade tot gevolg heeft. Vroegtijdige diagnose verhoogt de behandelingsmogelijkheden sterk

Bij echografie kan het volgende gevonden worden: de nieren zijn abnormaal van vorm met een onregelmatig oppervlak. Vaak is één of beide nieren te klein. De schors van de nieren (buitenste weefsellaag) wordt vaak breder, witter en vlekkerig. Het merg (binnenste weefsellaag) is moeilijker te herkennen. Ook dit zijn weer veranderingen die (zeker in een beginstadium) alleen door een ervaren onderzoeker kunnen worden vastgesteld.

De klachten kunnen zijn:

  • veel drinken en plassen
  • slecht eten
  • braken
  • vermageren
  • slechte vacht.

De kat begint gewicht te verliezen en in een later stadium krijgt hij last van braken, diarree en een typische mondgeur als gevolg van de ophoping van allerlei gifstoffen in het bloed. Bij bloedonderzoek worden in dit stadium verhoogde nierwaarden (ureum en creatinine) gevonden. In een eindstadium produceert de kat geen urine meer en zal uiteindelijk sterven door een ureum (afbraakproduct van eiwitten) –vergiftiging.

Behandeling

Om de locale hypertensie (hoge bloeddruk) ter plaatse van de nieren te behandelen worden vaatverwijderende middelen gegeven). Deze hebben het voordeel dat ze als gevolg hiervan vochtafdrijvend zijn en zo het verminderde concentratievermogen van de nieren kunnen compenseren. Deze middelen helpen ook de bloeddruk omlaag te brengen.

Daarnaast wordt een nierdieet voorgeschreven (zowel droog-als blikvoer). De bedoeling van een aangepaste voeding is  zorgen dat het ureum en creatinine in de bloedbaan daalt. Daarom moet de concentratie aan eiwit, fosfor en natrium in het dieet aangepast worden.

Tenslotte kan een voedingssupplement als Lpakitine zorgen voor de absorptie van gifstoffen (o.a. creatinine en ureum) en  daardoor de belasting van de nieren verlagen.

SMA

Spinale Musculaire Atrofie (SMA) is een erfelijke aandoening waarbij de zenuwcellen, die de skeletspieren van de romp en de ledematen aansturen, worden aangetast. De ziekte wordt autosomaal recessief overgedragen, dat wil zeggen dat het niet geslachtsgebonden is en dat beide ouders drager moeten zijn. Zij dragen de ziekte over, zonder dat ze zelf aan de ziekte lijden. Hun kinderen hebben 25% kans op de ziekte, 50% kans op dragerschap en 25% kans op het niet erven van de genetische afwijking.

Een autosomaal recessieve aandoening kan zich dus ongemerkt gemakkelijk in een populatie verspreiden. Dit is dus bij SMA het geval.

Verlies van zenuwcellen in de eerste levensmaanden leiden tot spierzwakte en atrofie (verschrompeling), hetgeen op de leeftijd van 3 à 4 maanden duidelijk wordt. Als ze 5 à 6 maanden oud zijn, is hun achterkant zo verzwakt dat ze moeite hebben met op meubilair springen en landen vaak op een lompe wijze als ze naar beneden springen. Doordat ze onvoldoende kunnen bewegen, kunnen vergroeiingen ontstaan van de wervelkolom, de knieën, de ellebogen en de voeten. De ademhalings- en slikspieren worden niet aangetast maar door vergroeiing van de wervelkolom (scoliose) is het risico van infecties aan de luchtwegen of een longontsteking aanwezig. Als de spieren die bij het kauwen gebruikt worden, aangetast zijn, kan eten moeizamer gaan. Het verloop van de ziekte is ernstiger naarmate deze eerder optreedt.

Symptomen

Het begin van het ziektebeeld wordt opgemerkt als het kitten tussen de 15 en 17 weken oud is. Het begint met zwakte van de achterste ledematen en een geringe, zich verder verspreidende, beving.

Kittens met de aandoening ontwikkelen een vreemde, wankelende wijze van lopen met de achterpoten en staan op een manier waarbij de hakken elkaar bijna raken. Ze verliezen het krachtige springvermogen tegen de tijd dat ze vijf maanden oud zijn en lopen vervolgens op een wankelende manier met hun achterlijf. Abnormale gevoeligheid voor aanraking van de rug, bewegingsintolerantie (slechte conditie) en zware ademhaling worden dikwijls opgemerkt. Na een aanvankelijke periode van snel functieverlies vindt vertraging in de ontwikkeling van de aandoening plaats of staat deze zelfs stil, met wisselende spieratrofie, zwakte en mobiliteit.

De levensverwachting en levenskwaliteit bij SMA is in het algemeen beperkt maar zijn grote verschillen in ernst en verloop bestaan. Kittens met de aandoening hebben geen pijn, meestal eten en spelen ze enthousiast, zijn niet incontinent en leiden soms jarenlang een comfortabel leven als huiskat. SMA is niet te genezen. Een eventuele behandeling is enkel gericht op verlichting van de verschijnselen.

Inmiddels is er een DNA test ontwikkeld om aanwezigheid van het defecte gen aan te tonen. Dit betekent dat met een verantwoord fokprogramma SMA-lijders verkomen kunnen worden.

Entropion

Entropion is een afwijking waarbij de oogleden naar binnen omkrullen. Het gevolg hiervan is dat de haren die op de buitenkant van de oogleden liggen, nu de oogbol irriteren. In ernstige gevallen kan dit tot perforatie van de oogbol en blijvende blindheid leiden. De aandoening kan in principe bij iedere diersoort voorkomen, maar komt vaker bij de hond en kat voor.

Meestal is de oorzaak een "aanlegfoutje"; de oogleden zijn niet helemaal normaal gevormd. Deze vorm is aangeboren en geeft vaak al op jonge leeftijd klachten. Dit is in veel gevallen een erfelijk probleem. In de fokkerij moet hiermee terdege rekening worden gehouden. Een andere vorm ontstaat na langdurige, onbehandelde ontstekingen van het oog. Door het voortdurend dichtknijpen van het oog kan ook entropion ontstaan. Deze vorm verdwijnt niet altijd als de ontsteking is genezen.

Voorkomen

Bij sommige rassen komt entropion als erfelijke afwijking voor. Bekende voorbeelden zijn Rottweilers, Berner Sennen, Bouviers en Perzen. Binnen deze rassen probeert men door een ander fokbeleid het probleem terug te dringen.

Behandeling

Lichte vormen van entropion kunnen behandeld worden met een vette oogzalf. Deze "smeert" de oogharen waardoor deze minder irriteren. Het eigenlijke probleem wordt hiermee natuurlijk niet opgelost. Om het eigenlijke probleem aan te pakken moet er met een operatie de oogleden weer in de juiste stand gebracht worden. Bij deze operatie wordt aan de buitenkant een klein wigje vel weggehaald uit het ooglid en wordt deze wond met heel fijn hechtmateriaal gehecht. Hoewel het een kleine ingreep is, moet deze wel onder algehele verdoving plaatsvinden. Enerzijds omdat de oogleden nogal gevoelig zijn, anderzijds omdat de patiënt absoluut stil moet liggen. Als andere problemen aan het entropion ten grondslag hebben gelegen (b.v. chronische ontstekingen), dan moeten deze tegelijkertijd worden aangepakt.

De vooruitzichten na operatie zijn heel goed; de oogleden sluiten weer normaal aan en het hoornvlies kan zich herstellen.

BRON: Mainecoon.nl